Interview Carol van Dijk

Carol van Dijk is 36. Van haar man en drie kinderen (7, 9 en 11) wist ze wel dat ze hoogbegaafd waren, maar zijzelf? Ze werkt nu al vier jaar als leraar in het primair onderwijs, haar langste baan tot nu toe. Vanaf oktober 2002 is zij Voorzitter van Pharos, de vereniging van ouders van hoogbegaafde kinderen.

"Het meest zichtbare voor andere mensen is mijn ongedurigheid. Ik heb veel prikkels nodig en ben steevast binnen twee jaar uitgekeken op mijn werk, wat dat dan ook is. Ik neem liever ontslag om aan de lopende band te gaan werken dan dat ik ergens blijf waar ik niks meer aan vind. Ik ben heel kritisch. Niet zozeer op andere mensen, want we zijn allemaal anders, maar ik vind wel dat die kritische blik nodig is wanneer er resultaat geboekt moet worden. Ik ben allergisch voor leidinggevenden die denken het te weten, maar niet doorhebben dat ze onzin uitkramen. Zulke mensen maken vage plannen en ik zie dat het verkeerd zal gaan maar ze gaan gewoon door en verwachten dat ik de brandjes blus. Ze denken hun plannen niet door, ze houden het liever vaag en ik kan helemaal niet tegen dat soort gedrag.

Op de middelbare school wist ik nog steeds niet wat ik wilde worden, ik vond alles interessant. Volgens de citotoets was ik uitermate geschikt voor het vwo, maar de lagere school zei dat ik met veel moeite net mavo kon doen. Het werd havo. Ik vond mezelf helemaal niet slim en gaf meestal foute antwoorden. Ik deed ook maar zelden iets aan school. Na mijn examen begon ik aan een opleiding voor operatie-assistent, maar die heb ik niet afgemaakt. Ik was het totaal niet eens met het gebrek aan respect waarmee ze patiënten behandelden en het was een kwestie van 42 anderen veranderen of zelf vertrekken. Tijdens mijn opzegtermijn haalde ik in twee maanden mijn typediploma. Daarna werkte ik als serveerster en na zes maanden stapte ik over naar productiewerk. Ik heb talloze baantjes gehad, in de horeca, bij de stadspost, als technisch auteur bij Philips, achter de wals in een wasserij. Nee, het zijn niet bepaald intellectueel uitdagende banen, maar ik wilde gewoon werken. Mensen waren blij met me want ik was een harde werker en draaide hoge productie. Maar ik bleef 'waarom' vragen en vooral bij banen van een iets hoger niveau werd dat niet gewaardeerd.

Van mijn man en kinderen wist ik wel dat ze hoogbegaafd waren, maar van mezelf niet. Ik dacht dat ik een IQ van 120 had en verder verbaal lekker vaardig was. Ik had er zelf nooit bij stil gestaan om de Mensatest te doen tot iemand me uiteindelijk overhaalde. Bij de eerste bijeenkomst wist ik niet wat me overkwam. Mijn grappen werden gewaardeerd en gesprekken gingen lekker van de hak op de tak. Ik kwam helemaal hyper thuis en zat een week lang op een roze wolk. Dat was erg prettig. De wetenschap dat ik hoogbegaafd ben heeft me meer zelfvertrouwen gegeven, er vielen veel dingen op zijn plaats. Ik kan bijvoorbeeld niet goed praten over koetjes en kalfjes. Ik was bang dat het kwam omdat ik niet echt geïnteresseerd zou zijn in mensen, maar dat is niet zo. Nu blijkt het te passen bij mijn hoogbegaafdheid.

Ik denk niet dat ik ooit terug ga naar productiewerk. Ik heb een andere lijn ingezet, ik doe een tweejarige opleiding schoolleider primair onderwijs en wil aan de slag als directeur. Na een aantal jaar ervaring zou ik graag als interim leidinggevende werken in het onderwijs. Ik ben namelijk op mijn best wanneer het snel gaat, wanneer de druk oploopt. Dan is er genoeg afwisseling en blijft de vaart erin."

Bron: Het MensaQuotiënt (2003)